randstad

Randstad Urgent, een bestuurlijk experiment

Op 29 oktober ondertekenden ongeveer veertig bestuurders het het programma Randstad Urgent. Het programma bevat 33 projecten voor de aanleg van onder meer wegen in en rond de Randstad.

Het kabinet wil met dit programma de Randstad weer een duurzame en concurrerende Europese topregio te maken. Duo”s bestaande uit een regionale of lokale bestuurder en een lid van het kabinet gaan de projecten uit het programma trekken. Daarbij zijn ook ambassadeurs uit de samenleving aangewezen die de duo’s scherp houden. Dit gaat bestuurlijke drukte tegen en zorgt voor een snellere besluitvorming.

Het betreft een lofwaardig streven: het Rijk lijkt op bereikbare doelen te sturen. Eindelijk worden knopen doorgehakt. Er is duidelijk sprake van bestuurlijke daadkracht. Het nieuwe aan deze aanpak is dat er bestuurlijke afspraken worden gemaakt over resultaten en deadlines, maar ook hoe men elkaar vervolgens aan die afspraken houdt. Hulde voor wie zijn afspraken nakomt, maar bij wie dat niet doet, worden de duimschroeven aangedraaid, of hoe het ook wel heet er zal sprake zijn van “Naming en shaming”.

ONZEKERE RESULTATEN

Er zijn veel voetangels en klemmen.

  1. Ministers worden parlementair afgerekend op hun beleid. Provinciale en lokale bestuurders niet. Zij kunnen alleen verantwoording afleggen of aangesproken worden in provinciale staten of gemeenteraad.Hier rijzen de eerste vragen. De publiekrechtelijke verantwoordelijkheid voor de projecten wordt gedeeld. Wie kunnen bij het niet nakomen van de afspraken vervolgens met recht worden aangesproken, de minister verantwoordelijk voor het project Randstad Urgent, de vakminister,die ook eigen verantwoordelijkheden heeft of de partner in de regio?Zullen de regionale partners hun autonomie of de rechten van de eigen huishouding waarop zij ook worden afgerekend ondergeschikt maken aan het concreet omschreven belang van de Randstad? Dat doen zij alleen als dat belang spoort met hun politiek belangen of provinciale en eventueel gemeentelijke afspraken. Wie zorgt er voor goede interpersoonlijke verhoudingen binnen de projectduo’s? En als het niet goed gaat, hoe gaat de minister van Verkeer en Waterstaat de bestuurlijke duo’s afrekenen op de resultaten? Overigens met zoveel gedeelde verantwoordelijkheden en mogelijk zwarte pieten lijkt de controlefunctie van het parlement te worden uitgehold.
  2. Voor het welslagen van de projecten zijn goede besluiten en planning (inclusief de financien) noodzakelijk en concreet afrekenbare doelen per project een noodzakelijke maar nog lang geen voldoende voorwaarde. Wat het eerste betreft, gevreesd moet worden dat sommige projecten nog niet erg concreet zijn en dat soms het geld nog niet is geregeld. Wat het tweede betreft, soms houden vertragingen van projecten niet alleen verband met sturing en organisatie maar ook met legitimatie.Wettelijke voorschriften uit andere domeinen dan die van verkeer en waterstaat, in wet- en regelgeving vastgelegde inspraak en inspraaktermijnen, maar ook complexe dan wel achterhaalde planningen en maatschappelijke weerstanden kunnen de inzet van de duo’s soms ineffectief maken. In elk geval hebben zij soms geen greep op maatschappelijke groeperingen zoals de milieubeweging, bewonersorganisaties en het bedrijfsleven. Deze partijen laten zich niet gemakkelijk dwingen. Die partijen zullen hun huid zo duur mogelijk verkopen. Maar ook gemeenten, waterschappen, stadsgewesten etc., elk met hun eigen verantwoordelijkheden, zullen niet zomaar toegeven onder druk aan de verlangens van een minister en regionale bestuurder. Vooral als het maatschappelijk draagvlak voor concrete voorstellen mager is of zelfs afwezig lijkt de kans van slagen beperkt.

STOKKEN ACHTER DE DEUR

Naming and shaming is als instrument waarschijnlijk moeilijk te hanteren, omdat de schuldvraag niet snel eenduidig kan worden vastgesteld. Er zijn dan drie juridische instrumenten.

  • Voor de meeste projecten geldt de verkorte procedure van de tracewet (= ontwerp-tracebesluit en 5 maanden later het definitieve tracebesluit) en de Wro-rijksprojectenprocedure.
  • Rijk en provincie hebben twee aanwijzingsbevoegdheden. Een proactieve aanwijzing gaat over de inhoud van een bestemmingsplan om een specifieke situatie te regelen. Met een reactieve aanwijzing kunnen zij een wijziging voor een gewraakt onderdeel laten vervallen en zo de huidige/oude bestemming handhaven.
  • Wanneer binnen de afgesproken termijn geen consensus is bereikt en doorzettingsmacht kan niet gerealiseerd worden via het tracebesluit of de Wro-rijksprojectenprocedure, kan het Rijk gebruik maken van de aanwijzingsbevoegdheid.

Ministers zijn dus relatief goed uitgerust. Dat geldt veel minder voor de regionale bestuurder. De vraag is of die veel in de melk te brokkelen heeft. Met niet veel meer dan morele druk moet hij of zij de regionale en lokale partijen bij de vaak complexe projecten op een lijn zien te krijgen.

Omdat de resultaten van de projecten pas over vele jaren beschikbaar zijn en de uitvoering al vroegtijdig te wensen over kan laten is het voor de publieke verantwoording gewenst dat onafhankelijke monitoring goed wordt vormgegeven.

Drs. Alphons P. Ranner is founder and director of Sovereign BV financial consultancy. His background includes many years of experience in strategic and financial management and consulting.

Leave a reply

Your email address will not be published.

You may use these HTML tags and attributes:

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>