belasting

Geen onrendabele top bij vennootsschapsbelasting

In navolging van de corporatiesector, gemeenten maar ook accountants en fiscalisten hebben kamerleden geprotesteerd tegen invoering van integrale heffing van de vennootschapsbelasting voor corporaties. Dit zowel vanwege de veronderstelde omvangrijke nadelige gevolgen als wat betreft de heffingssystematiek. In zijn rechtvaardiging van de heffingsystematiek bij de behandeling van het belastingplan 2008 in de Tweede Kamer wees de staatssecretaris van Financien echter terecht het bedrijfseconomische winstbegrip dat corporaties hanteren af. Het is wenselijk dat ook de Eerste Kamer zijn opvatting zal volgen. Daarvoor is alle reden gelet op andere nog niet door de staatssecretaris genoemde bezwaren.

UITZONDERING VOOR CORPORATIESECTOR NIET TE RECHTVAARDIGEN

Bij de volkshuisvesting is het gebruikelijk de zogenoemde onrendabele top uit hoofde van nieuwe investeringsprojecten in een keer direct ten laste van de winst te brengen en de zogenoemde bedrijfswaarde daarvoor te corrigeren. De staatssecretaris was bij de fiscale winstbepaling tegen een dergelijke handelwijze en ook tegen het alternatief van een speciale herwaarderingsreserve voor de voorraad huurwoningen. De argumenten daarvoor kwamen neer op de wenselijkheid van het handhaven van een gelijk speelveld met andere ondernemers die soortgelijke investeringen doen en het niet in overeenstemming zijn met goed koopmansgebruik.

Terecht heeft de staatsecretaris het karakter van de vennootschapsbelasting als winstbelasting niet willen aantasten. Daarbij is slechts belasting verschuldigd voorzover er daadwerkelijk winst wordt gerealiseerd. In de fiscale jurisprudentie wordt in beginsel verondersteld dat de bedrijfswaarde van een onderneming gelijk is aan de aanschaffings- en voortbrengingskosten. Nieuwe activa worden dus tegen die kosten op de balans gezet. Er gelden volgens goed koopmans gebruik bepaalde afschrijvingsregels voor de investeringen in vaste activa. Kosten moeten volgens dit gebruik zoveel mogelijk ten laste komen van de periode, waaraan de voordelen waarvoor kosten zijn gemaakt, zijn toe te rekenen. De afschrijvingen worden dus over meerdere jaren uitgesmeerd. Voorzieningen voor lagere winsten zoals een onrendabele top zijn in strijd met goed koopmansgebruik.

GEEN SUBJECTIEVE RAMINGEN

De staatssecretaris heeft andere bezwaren die er terdege zijn tegen de onrendabele top bij de bepaling van winst en bedrijfswaarde nog niet hoeven te gebruiken.

Tot dusverre is er aan voorbijgegaan dat de onrendabele top alleen maar een schatting betreft. Het gaat bij de in de sector gebruikelijke boekhouding om berekend bedrag dat in het allereerste jaar van een investeringsproject als een vermindering van de bedrijfswaarde wordt afgeboekt van de jaarwinst. Deze top wordt geschat als het netto resultaat van de contant gemaakte getotaliseerde toekomstige ontvangsten en uitgaven over een bepaalde lange periode. Daarbij krijgen investeringsuitgaven een zwaarder gewicht omdat ze logischerwijs eerder plaats vinden dan de daarmee te realiseren huur- of verkoopopbrengsten. Deze manier van berekenen verklaart in hoge mate de omvang van de onrendabele top. Verder spelen allerlei parameters een belangrijke rol bij de raming van ontvangsten en uitgaven, waarbij het risico ingecalculeerd moet worden. Dit heeft ingrijpende gevolgen: kosten worden zwaarder aangezet en opbrengsten relatief laag ingeschat. De restwaarde van de corporatie aan het eind van de schattingsperiode wordt eveneens conservatief ingeschat.

Gelet op de gegevens voor de corporatiesector van het CFV over de afgelopen 10 jaar kan gesteld worden dat de voor de discontering gebruikte rentevoet en de parameterwaarden voor de andere grootheden te conservatief zijn geweest. Daardoor zijn in de corporatiesector de onrendabele toppen in werkelijkheid veel lager geweest met als gevolg de forse winsten van de laatste jaren in combinatie met de sterke verbetering van de schuldpositie.

De op de corporaties toegespitste wijziging van de vennootschapsbelasting leidt ertoe dat het in een keer afschrijven van een geschat negatief resultaat van een investering niet mogelijk is. Alleen als de tegenvallende rendementsontwikkeling manifest wordt, dus als er inderdaad sprake is van een onrendabele top maar dan in termen van de jaarlijkse feitelijke inkomsten en uitgaven, dan vertaalt zich dat ook in de omvang van de belastingheffing.
Daarmee en dat is nog onderbelicht, wordt de fiscus gevrijwaard wordt voor lagere belastingopbrengsten die het gevolg zijn van ramingen in plaats van realisaties. Het conservatieve ramen krijgt geen fiscale bonus. En een heel belangrijk punt: het accepteren van het in de sector gangbare winstbegrip zou als precedent kunnen werken en het Ministerie van Financien kunnen dwingen standaarden en normen voor de parameters te ontwikkelen.

Drs. Alphons P. Ranner is founder and director of Sovereign BV financial consultancy. His background includes many years of experience in strategic and financial management and consulting.

Leave a reply

Your email address will not be published.

You may use these HTML tags and attributes:

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>